ErfGoud: Verhalencafé over Groninger groente

Op dinsdagavond 27 mei vond in de bibliotheek van Hoogezand een drukbezocht Verhalencafé over historische Groninger groenterassen plaats. Het Verhalencafé werd georganiseerd door het Noordelijk Zadennetwerk en Biblionet Groningen en vormde de officiële aftrap van het project ‘ErfGoud’.

Tijdens het Verhalencafé werden jong en oud bij elkaar gebracht om in gesprek te gaan over de teelt en verwerking van oude, Groninger groenterassen. Rond verschillende tafels deelden deelnemers hun verhalen over het kweken van typisch Groninger groente, maar ook over het oogsten, koken en preserveren.

Groninger rabarber

Het Verhalencafé vond eind mei plaats: de tijd van bonen poten en rabarber oogsten. Voorafgaand aan het Verhalencafé werd er dan ook een heerlijke rabarbertaart gegeten. Veel van de aanwezigen hebben rabarber in de tuin. Sanne Meijer vertelt dat uit een onderzoek van Tineke Scholtens naar Groninger boerenerven bleek dat rabarber in de negentiende en twintigste eeuw deel uitmaakte van vrijwel iedere moestuin. Rabarber kan jaren mee; en het is dan vaak ook een oude plant. Niet voor niets zijn er best veel erfgoedrassen van. Een erfgoedras is een groente die al 50+ jaar op dezelfde locatie gekweekt wordt en daardoor eigen karakteristieken aanneemt. In Den Burg op Texel kweekt Jaap Vlaming de grootste rabarbercollectie ter wereld, weet een van de aanwezigen.

De rabarberplant leent zich goed om te stekken. In veel moestuinen groeien dan ook nakomelingen van een oudere plant. Henk Postma uit Hoogezand kreeg ooit een stek van zijn oom in Groningen, vertelt hij. Nu groeit de rabarber bij wijze van erfstuk in zijn tuin. Sanne Meijer kreeg onlangs een rabarberplant van Monique Wijn uit Haren. Wijn nam vele jaren geleden een stek mee van een enorme rabarberplant die bij een oude, verlaten boerderij in de buurt van Garnwerd groeide. Vervolgens kweekte ze die op in haar tuin in Haren (De Godin). Door haar inzet verspreiden de stekken van deze ‘Groninger rabarber’ zich weer door de provincie.

Eigenheimers

Van Groningers wordt wel eens gezegd dat het eigenwijze personen zijn; ‘eigenheimers’. Dat is ook geen wonder, want de Eigenheimer komt gewoon uit de Groninger Veenkoloniën. Theo Wilbrink weet meer over deze wereldberoemde aardappel. “In 1889 kreeg Geert Veenhuizen de leiding over een proefveld van de plaatselijke landbouwvereniging ‘Borgercompagnie, Tripscompagnie en Kleinemeer’. Hij was geïnteresseerd in de aardappelteelt en de veredeling van aardappelrassen. In Borgercompagnie veredelde en kweekte hij de Eigenheimer.”

De Eigenheimer is een onregelmatig gevormde aardappel met diepe ogen. Het is een beroemd aardappelras geworden, maar het was zeker niet de enige aardappel die Veenhuizen veredelde. Tijdens zijn carrière creëerde hij ruim negentig nieuwe soorten aardappelen, waaronder de Bravo en Rode Star. “Rond 1925 bestond ongeveer tweederde van het Nederlandse pootgoed uit aardappelrassen die door Veenhuizen veredeld waren,” vertelt Wilbrink. Toen Geert Veenhuizen in 1927 met pensioen ging, ontving hij een koninklijke onderscheiding. Op zijn grafmonument staat bij zijn naam: ‘De Groote Aardappelkweker’.

Klaas Koers uit Siddeburen heeft een voorliefde voor een andere aardappel: de Noorderling. Maar liefst veertig jaar heeft hij deze aardappel in stand gehouden. Hoewel in het verleden erg populair, is het nu een zeer zeldzaam aardappelras. “Vooral in Groningen en Friesland waren ze in trek. Het was een veelzijdige aardappel: licht kruimig, smakelijk en zelfs inzetbaar voor de zetmeelindustrie. Het ras groeide snel en was dus al vroeg oogstbaar. Desalniettemin was de aardappel ook goed te bewaren.” Kweker van deze aardappel was G. S. Mulder te Warffum. De Noorderling is in 1918 ontstaan en tien jaar later in de handel gebracht. Eén van de ouders van de Noorderling is de Bravo van Geert Veenhuizen uit Borgercompagnie.

Mous

Als je aardappelen zegt, dan zeg je ook stamppot. Het lievelingseten van veel Groningers is ‘stamppot mous’, in de rest van Nederland beter bekend als stamppot boerenkool. Groningers eten de stamppot mous van oudsher met spek en spekvet. Spekvet wordt in Groningen ook wel ‘stip’ genoemd en gebruikt als een soort jus. ‘Mous mit stip’ is dan ook voor veel Groningers een begrip. Bovendien wordt Groningse stamppot mous gegeten met metworst en gort.

‘Mous’, oftewel boerenkool, is onderdeel van het Gronings cultureel erfgoed, vertelt Sanne Meijer. “Er bestaan vele Groninger gezegdes en verhalen over ‘mous’. Zo gaat een bekend Gronings volksverhaal over de ‘mouskeerl’. Zo noemen Groningers het mannetje in de maan. Hij heeft mous gestolen en is voor straf naar de maan gestuurd. Daarnaast kreeg het paard van Sinterklaas in Groningen geen wortels, maar mous. Het paard at dan ook de ‘mousstommel’: de stronk van de boerenkool.”

Vroeger hadden sommige boerderijen zelfs een eigen ‘moustoene’ op het erf: een aparte tuin voor de boerenkool, vertelt Meijer. Misschien groeiden daar wel Groninger boerenkoolrassen, zoals de inmiddels verloren geraakte ‘Groninger Zilverhart’ of de zeldzame ‘Westerwoldse Grove’. Die laatste soort gaat Marieke Berkhout van Stichting Zaadgoed dit jaar in haar tuin in het noorden van Limburg (!) kweken, vertelt ze.

“Westerwoldse Grove boerenkool is een winterhard landras dat in de jaren veertig van de vorige eeuw op de markt kwam. De planten kunnen wel anderhalve meter hoog worden. Het blad is heel grof, waardoor het al snel minder geschikt werd geacht voor menselijke consumptie. Het werd voornamelijk geteeld als groenvoer voor kippen, konijnen en geiten voor in de winter.”

Dreuge bonen

Naast stamppot mous zijn ‘dreuge bonen’ ook zo’n bekend Gronings gerecht. Met een ‘dreuge boon’ bedoelt de Groninger niet een droogboon (de gedroogde boon die uit de peul gehaald is), maar een gedroogde peul. De bonen werden dan aan een katoenen draadje geregen en gedroogd aan de wind. Soms werden de bonen ook wel op zolder opgehangen – of uitgespreid op oude kranten – om nabij de schoorsteen te drogen. Zo bleven ze een hele winter houdbaar. Janneke Eisinga is de dochter van een bakker uit Kropswolde. Ze herinnert zich dat dreuge bonen en appeltjes bovenop de ovens in de bakkerij werden gedroogd.

In principe heb je voor dreuge bonen weekschilbonen nodig: bonen met een zachte peul. Ede Staal zong er al over: “Mien waikschilde bonen die komen zo slecht op…”. Voordat de dreuge bonen de pan in konden, werden ze namelijk in stukjes geknipt en zacht geweekt. Dreuge bonen worden om die reden ook wel knipselbonen genoemd. Ze belandden vaak in de stamppot – met veel spekvet. Nu eten nog maar weinig Groningers op die manier bonen. Ingeborg Rietveld uit de stad Groningen kweekt ieder jaar droge bonen en maakt er ook nog stamppot van. “Heerlijk,” vindt ze. Henk Pruiksma uit Schildwolde heeft een iets andere ervaring. “Ik maakte kennis met stamppot dreuge bonen door mijn nieuwe buurvrouw. Ik dacht dat ik ermee moest metselen…”

Leo Schot uit Veendam heeft nog een zakje met dreuge bonen. “Ik ben er zuinig op, want ik weet niet waar ik ze moet halen. Vroeger was dat wel anders.  Toen hadden we wel drie adresjes, maar die zijn allemaal verkocht. Een man op de hoek verbouwde héél veel, je haalde er zo 20 kilogram op. Wij droogden ze zelf, daarna gingen ze de vriezer in. Het recept voor de stamppot dreuge bonen zit nog zo in mijn hoofd: eerst zette ik de bonen een nacht in water, dan vier uur koken met een heel klein beetje spek.” Soms zaten er draden in de bonen – onhandig, maar de bonen waren wel lekkerder dan de draadloze variant, vindt Schot.  

Bonen

De Groningse keuken is onlosmakelijk verbonden met bonen. Op zijn website Cucina Groningana zet Niek Berendsen een aantal traditionele Groningse gerechten, met de boon in de hoofdrol, op een rijtje: bruine bonensoep, Pronkebonensoep, bonensoep, knipselbonen- of dreuge bonen stamppot, spekbonenpot, boneklont met zolte sniebonen (nieuwjaarsstamppot), stopvaarve (bruine bonen stamppot), broene bonen mit spek en broene bonen mit zoepen. Janneke uit Hoogezand kreeg bij haar schoonouders als pronkebonensoep en spekbonen. Die laatsten lijken op de grote speziebonen. Als je het kookt met spek, krijgen de bonen een vlezige smaak.

Vroeger groeiden er bonen in vrijwel alle moestuinen in Groningen. Voedzaam, lekker en goed te kweken op Groninger grond – het is niet verbazend dat er vroeger veel Groninger bonenrassen bestaan. Dat zijn bonen die door Groninger boeren of kwekers veredeld zijn of al meer dan 50 jaar in Groningen gekweekt worden. Kortom: bonen die goed aangepast zijn aan de Groninger grond en het klimaat. Veel van die bonen worden niet meer geteeld, maar vervangen voor moderne rassen. Wilfried Fasser werkt bij de Tuinen van Weldadigheid in Veenhuizen. Hij vertelt dat deze kwekerij als een van de weinigen in Nederland een uitgebreid assortiment Groninger bonen verbouwt. Daarmee probeert de kwekerij deze bonen in leven te houden.

Als het gesprek op historische Groninger bonenrassen komt, wordt er geanimeerd gepraat. Allerlei namen passeren de revue: Oldambtster witte bonen, padleggers, eentjebonen, Bonties, sniebonen, veenschee bonen, Groninger strogele, Hendrik’s Reuzen… Klaas Koers uit Siddeburen heeft kloosterholtjes bij zich. Deze oude boon komt waarschijnlijk uit Heiligerlee, een dorp dat in Groningen ‘Kloosterholt’ wordt genoemd. De bonen heeft hij van een kennis uit Siddeburen. Diens moeder heeft het pootgoed bijna 70 jaar geleden gekregen van een echtpaar waarvan de vrouw van oorsprong omgeving Winschoten komt.

Harry Hummel uit Garnwerd herinnert zich de snijbonen en de vele uren met de bonensnijder. Daarna gingen ze in het zout: ‘sniebonen in t solt’. Deze techniek werd niet alleen toegepast op snijbonen, maar ook op sperziebonen. Dan heet het gerecht ‘sullebonen’: Gronings voor ‘gezoute bonen’. In een grote pot gingen twee handjes dunne sperziebonen, een handje zout, dan weer twee handjes bonen, een handje zout, en zo door. Er werd een steen opgelegd. Als je het wilde eten, liet je de bonen een nacht in het water staan.

Boeskool

Johan Holthof is onlangs een zelfoogsttuin begonnen in Appingedam. “Onze tuin ligt op de wierde van Opwierde, een historische plek. Ik zou het mooi vinden om juist ook oude, lokale groente te telen. Groentesoorten die hier van oudsher verbouwd en gegeten worden. De Oldambtster wierdeboon is daar een voorbeeld van.” Johan heeft zijn groene vingers niet van een vreemde. “Mijn opa was kolenboer in de omgeving van Zuidwolde. De regio rondom Bedum is van oorsprong een echt kolengebied.”

Sanne Meijer vult aan. “Zuidwolde staat bekend als het ‘boeskooldorp’ van Groningen. ‘Boeskool’ is de plaatselijke benaming voor de verschillende koolsoorten die in Zuidwolde werden geteeld. Dit Groningstalige woord is een verbastering van ‘kombuiskool’. Kolen kunnen goed bewaard worden en werden daarom vroeger meegenomen op schepen. Zo kreeg de bemanning geen last van scheurbuik. Kool werd op het schip in de kombuis bewaard.”

Meijer: “Dat in Zuidwolde kool werd verbouwd had alles te maken met de grondsoort: zware klei. Daar houden kolen van. Een andere reden was de nabijheid van de stad Groningen. Daar konden de koolboeren hun oogst verkopen. Vooral aan het begin van de twintigste eeuw floreerde de koolteelt in Zuidwolde. In en rond het dorp waren wel zestig koolboeren te vinden. Eigenlijk draaide de gehele economie van Zuidwolde én de omliggende dorpen op kool en op de groenteteelt. In Bedum stonden bijvoorbeeld twee zuurkoolfabrieken.”

Aukje Stoffelsma van de Zelfoogsttuin Klein Alma in Bedum raakt enthousiast door dit verhaal en stelt dat ze zich meer wil verdiepen in het telen van lokale kolenrassen. Meijer: “Mij is verteld dat de kolenoogst werd ingeluid met de oogst van de Vroege Groninger spitskool. Die waren soms eind juni al klaar. Zaadjes van deze spitskool zijn nu alleen nog bij het Centrum voor Genetische Bronnen te vinden.”

De Vroege van Sappemeer

Groningen en spitskool – ze hebben een bijzondere band. Theo Wilbrink weet dat als geen ander. Hij wil een standbeeld oprichten voor tuinbouwconsulent J. Heemstra. Wilbrink legt uit dat Heemstra verantwoordelijk is voor de veredeling van de eerste F1 hybride plant ter wereld. “De ontwikkeling van F1 hybride groente- en fruitrassen is een van de meest succesvolle veredelingstechnieken ter wereld. Maar liefst 90% van alle groenterassen in de westerse wereld zijn F1 hybriden. De eerste F1 hybride is niet – zoals vele mensen denken – maïs uit Amerika. Nee, de eerste was een spitskool uit Sappemeer: de Vroege van Sappemeer.”

Wilbrink: “Heemstra wilde betere rassen te maken. Hij kwam tot de ontdekking dat de eerste  generatie na kruising van twee planten veel uniformer is dan een open bestoven populatie. Op zich is dat heel logisch. Kinderen uit één gezin lijken immers ook veel meer op elkaar dan kinderen van verschillende ouders. Volle broers en zussen verschillen genetisch minder van elkaar dan van achterneven en -nichten. Door ouderplanten door stekken vegetatief in stand te houden, kon Heemstra jaar in jaar uit hetzelfde zaad telen. Hij liet twee klonen gezamenlijk afbloeien en oogste het zaad van beide klonen. Uit verschillende combinaties selecteerde hij de hybride die het beste presteerde en het meest uniform was. Op deze wijze veredelde hij het spitskoolras ‘Vroege van Sappemeer’.”

De spitskool werd in 1923 geïntroduceerd en was gedurende 35 jaar een succesvol gewas in het noorden van het land. De Vroege van Sappemeer stond maar liefst veertien jaar lang als ‘aanbevolen ras’ in de rassenlijsten van de universiteit van Wageningen.

Zaadvast

De moderne, hybride rassen zijn niet zaadvast. Dat betekent dat nakomelingen niet dezelfde eigenschappen behouden en vaak ook slecht presteren. Kortom: je kunt van hybride gewassen zelf geen zaden oogsten om zelfvoorzienend te zijn. Daarmee komt voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit in het geding. Oude, lokale groenterassen zijn daarentegen wel zaadvast. Die plantensoorten zijn zodanig veredeld dat de zaden ervan, wanneer ze opnieuw worden geplant, planten voortbrengen met dezelfde eigenschappen als de ouderplanten. Zaadvaste rassen zijn dus stabiel en kunnen generatie op generatie worden vermeerderd met behoud van de gewenste kenmerken.

De Oldambtster witte boon, Blauwe Groninger snijmoes en Westerwoldse Grove boerenkool: het zijn een paar voorbeelden van historische Groninger groenterassen. Dit zijn groenterassen die door Groninger boeren of kwekers veredeld zijn óf al meer dan 50 jaar in Groningen gekweekt worden. Het zijn zaadvaste rassen. Veel van die groentesoorten worden niet meer geteeld, maar vervangen voor moderne en hybride rassen. Dat is jammer, want daarmee gaan niet alleen mooie, lekkere, lokale bonen verloren – maar ook een stukje Groninger cultuurhistorie.

ErfGoud

ErfGoud is een project waarmee het Noordelijk Zadennetwerk historische groenterassen uit Noord-Nederland in de spotlights zet met als doel deze in stand te houden en te integreren in regionale voedselketens. Het Noordelijk Zadennetwerk doet dit samen met natuur- en milieuorganisaties, het onderwijs, boeren, tuinders en inwoners. Groningen is als eerste provincie aan de beurt. Alle aanwezigen van het Verhalencafé zijn het er in ieder geval over eens: in de toekomst willen ze meer nadenken over en rekening houden met de teelt van specifieke oude en/of lokale rassen. Om hen daarbij te helpen, kregen ze van het Noordelijk Zadennetwerk alvast een stok met daaraan een zakje Oldambtster Witte (stok)bonen!